Ellendig publiek

Het gaat niet goed met u. Ja, met u. Nee, niet goed. Ik kom u namelijk soms tegen en dan kan ik het zien. Ellendig publiek zijt ge. Soms klinkt het zo: ‘Oh, An Olaerts, u lees ik nooit. Tom Heremans wel! Zo grappig! Ik heb hem eens in het zwembad gezien. Hij gaat altijd zwemmen in de Rozebroeken.’ Blijkbaar is dat een zwembad aan de andere kant van het land. Want een roze broek heeft Tom Heremans uiteraard niet. Ik denk dat hij zwemgerief van Schiesser heeft, donkerblauw.

Enfin, het hek is van de dam. Alle sluizen open. We gaan nu samen nadenken over Tom Heremans met zijn natte baard in het zwembad. Het is alsof er een pruik op het water drijft. Denkt u dat ik beter word van zulke gedachten. Nee. Met mij gaat het ook niet alle dagen goed. En dat heb ik aan u te danken. Ik heb u namelijk al meer dan eens gezien. Ook die keer toen u zélf columns ging schrijven, in een workshop. Ik werd daarvoor ingehuurd. ‘s Middags kreeg ik een broodje hummus en een flesje Bionade. In ruil heb ik gezegd dat iedereen columnist kan worden.

Eén man kende mij. Dat merkte ik omdat hij liet merken dat hij van mij niks wilde leren. De rest van de aanwezigen had nog nooit van An Olaerts gehoord. Welke columns leest ge dan wel graag, vroeg ik. De man antwoordde boosaardig: Bernard Dewulf. ‘Spijtig, zei ik. Er is geen vzw op aarde die Bernard Dewulf voor een workshop kan betalen.’ De anderen kenden geen columnisten. Of toch. Jawel! In de Flair staat een turnmeester met een rubriek en een seksleven. Ja, die vonden ze goed. Nee, het gaat niet goed met u. 

Soms vraag ik me af wat als eerste zal sterven. De stiel van de column, of zijn publiek. Qua doodstrijd zijn ze aan elkaar gewaagd. De meeste lezers deugen niet, zo valt af te leiden aan de columns die ze lezen. Andersom hetzelfde. En nu is Kaaiman het ook nog afgetrapt. Die wil voortaan alleen nog wijn drinken met dat mens van de radio. Ik wil gerust inbinden aan perspectief, maar wat blijft er dan nog van mijn toekomst over. Niks. En dat is uw schuld. 

‘An Olaerts! Geweldig! Ik lees u iedere week in de Knack.’ Het is om dood te vallen.

‘Ik ben fan van Punkie. Wij hadden vroeger een hond die Pukkie heette.’ Niemand die er wat aan heeft. 

‘Zijt gij An Olaerts? Amai, gij ziet er anders uit in het echt.’ Medelijden? Geen. 

‘An Olaerts, wij delen u mee dat u bij ons geen vakantiewoning meer kunt huren.’ Denk maar niet dat ik kan schrijven wat ik wil. 

‘Zeg, An Olaerts, het woord Spondeligger, waar komt dat vandaan? Want volgens mij staat het helemaal niet in de Dikke Van Dale.’ Alstublieft, laat mij gerust.

‘Zijt gij An Olaerts? Oh, dan kent gij Tom Heremans!’ Ja, ik ken Tom Heremans. Zonder hem zou ik twee keer er verdienen. 

‘An Olaerts? Ja! Mijn vrouw kent u! Die leest al die boekjes over kleren en schmink.’ Ik word ziek van u.

‘An Olaerts? Wat komt gij hier doen? Is uw inspiratie op? Mensen, pas op, An Olaerts, zit in de bus en die schrijft alles op wat ge zegt!’ Inderdaad, wraak is het enige wat ik heb.

Ellendig publiek zijt ge.

An Olaerts