Fishstick 1 & Fishstick 2

‘Anders moeten we ze Fishstick 1 en Fishstick 2 noemen’, zei ik. Maar Punkie wilde niet. Het was een proeve van zijn empathie. Héél lang heeft hij geen besef gehad van iets anders dan zichzelf. Maar voortaan is er medeleven. Je kunt twee goudvissen niet zomaar Fishstick 1 en Fishstick 2 noemen. Het neigt te veel naar puree en tartaarsaus. Punkie stelde zijn veto, omdat de namen wrongen. ‘Nee’, zei hij. Zijn afkeuring deed me plezier.

Verder waren Fishstick 1 en Fishstick 2 ook zonder naam een slecht idee. Ze zwommen in een bokaal op het aanrecht en ze hapten naar elkaar. Soms zaten ze achter hun ruit ook naar mij te happen. Dan gaf ik ze eten: stinkend gruis uit een potje. Ik zweer het je, goudvissen kunnen teken doen als ze honger hebben! ‘s Morgens verbaasden wij ons over de lengte van de sliert die uit hun poep kwam. En dan was er nog hun eigen nat. Het sloeg hardnekkig neer op de vensters van hun eindeloze uitzicht. Je kon sponzen en spoelen zoveel je wilde. Het gaf alleen maar méér groen. 

Punkie liet het niet aan zijn hart komen. Zo ver reikte zijn empathie nu ook weer niet. Liever bemoeide hij zich met twee vissers met een tent aan een vijver. De ene maakt een foto met zijn telefoon. De andere hield een lelijke karper in zijn armen. ‘Ik heb thuis ook vissen’, zei Punkie. Er kwam nauwelijks reactie. Van ellende vroeg ik of de karper misschien Stipje heette. Omdat ik wist dat Stipje de stomste vis van de vijver was. Niemand liet zich zo dikwijls aan de haak slaan als Stipje. Je kon hem herkennen aan zijn stipje. Zelfs ik kende Stipje! 

Nee, het was Stipje niet, zeiden de vissers. Stipje was vorig jaar gestorven. Punkie zweeg. En ik deed alsof ik het spijtig vond. Met empathie kun je alle kanten op. De vissers legden hun karper voorzichtig op een kaki draagberrie. Het vieze beest gleed terug het water in. Ik vond dat hij beter af was dan Fishstick 1 en Fishstick 2. Want uiteraard gingen onze goudvissen heel snel dood. 

Hun doodsstrijd was niet om aan te zien. Vooral omdat Punkie zich opwierp als de vissendokter van het huis. ‘Nee, ze zijn niet ziek’, zei hij. ‘Ik heb ze pas nog geaaid. Hun hart klopt goed. Ik heb eraan gevoeld. Ze willen gewoon een beetje liggen om te slapen.’ En die vissen maar creperen. Ze hingen scheef onder de oppervlakte. Ze snakten naar weet ik veel. Ik werd er kwaad van. Ik zat aan tafel, keek naar de bokaal en kreeg geen hap door mijn keel. Punkie begreep er niks van. Dat heb je met te weinig empathie.

Na het eten, toen Punkie naar bed was, heeft de Spondeligger Fishstick 1 en Fishstick 2 begraven in de groenbak. ‘s Anderdaags was hun bokaal weg. Punkie merkte het ‘s avonds pas op! ‘Waar zijn mijn vissen?’, vroeg hij. ‘Dood.’ Ik heb  -met de hand op het hart- geprobéérd om voorzichtig te antwoorden. Maar Punkie begon toch te huilen. ‘Het waren mijn vrienden!’ Eerlijk? Ik vond zijn tranen overdreven en bovendien kwamen ze te laat. Nee, het was geen proeve van mijn empathie. Behalve dan voor die arme goudvissen en hun zinloze lijden. Fishstick 1 en Fishstick 2, nooit meer!

An Olaerts