Fond de teint

Alle fond de teint op aarde, soms helpt het niet. ‘Ik moet het zeggen, want je gaat het zien’, zei ze. Ze stuurde een foto mee. Ik zag meteen wat ze bedoelde. ‘Ik krijg het niet weg. Sorry.’ Haar oog was dik. Haar lip had een scheurtje. Ze was toegetakeld. Ik herkende haar huls. Een enorm verdriet stulpte naar buiten. Zo had ik haar nog nooit gezien.

We gingen samen eten. 2019 was een slecht jaar, had ze gezegd. Wat heb jij eigenlijk aan de hand, vroeg ik. Ze antwoordde kort: ‘Hij heeft me pijn gedaan.’ Ik reserveerde een tafel en wachtte. Ze kwam binnen. Eerst was ik bang om te kijken. Daarna was ik kwaad om het te zien. Al viel het niet op. Er was fond de teint en ze had nog charme over. De ober vond het – zoals vanouds – leuker om haar te bedienen. We bestelden maar wat voor de vorm.

Ik wilde haar vasthouden en haar wang voorzichtig aaien. Maar ik ben zo geen mens. Ik ben een zak met knoken en een snelle bek. Je kunt niet zachtjes in mijn oksel liggen. Trouwens, we zaten aan tafel. Het ging niet. Ik keek maar wat naar haar en hoorde hoe ze probeerde er toch nog iets van te maken. Het verhaal was pikzwart, maar voor mij zocht ze naar theelichtjes. Zoiets.

Om half drie had ik haar op de parking toch vast. Ik voelde haar dikke, roze anorak. Niemand komt weg met zo’n jas, behalve zij. Mét de hele fond de teint en de ellende erbij. Ze keek hoe ik huilde. ‘Je hoeft niet te doen alsof het goed met je gaat’, zei ik ferm. ‘Soms gaat het niét en dat is ook goed voor mij.’ Ze reed weg en ik hoopte dat ze veilig was. Ik waste de lakens van de logeerkamer, maar ze kwam niet.

Ik wilde de hele tijd vragen hoe het met haar ging, maar ik deed het niet. Ze was niet zielig, nooit geweest! Ik ging haar nu toch niet herleiden tot die klappen? Ze zei dat ze niet meer wist wie ze was. Ze wist zelfs niet óf ze nog iemand was. ‘Je zit vol stijl’, zei ik. ‘Je bent grappig. Je bent een stout kind. Je stopt niet voor het goed is. Ik hou niet zomaar van jou, wijffie.’ Hij had het allemaal verknoeid. Gebroken vingers, de hele uitleg, blauwe plekken, het was al jaren aan de gang, net zoals op tv.

Ze belde 1712. Ze ging naar de politie. Ze hield haar poot stijf. Soms reed hij door de straat. Of hij lachte naar haar in de achteruitkijkspiegel. Ik vertrouwde het voor geen meter, maar ik wilde kost wat kost in haar geloven zoals altijd. Alleen toen Ilse Uyttersprot, oud-burgemeester van Aalst, werd vermoord, hield ik het niet meer. ‘Meisje! Waar ben je vandaag? Ik maak me zorgen. Het is weer op tv. Die kerels doen je dood!’

Gelukkig zijn er een jaar later soms ook weer goede dagen. Dan lacht ze, eet ze pizza en maakt ze iedereen jaloers met een selfie, een zonsondergang en een klein beetje fond de teint. Dan ben ik plaatsvervangend trots op haar. En ook als ze ’s morgens heel vroeg een berichtje stuurt dat ze over hem heeft gedroomd en dat ze zo niet verder kan. Dan ben ik blij dat ze het zégt. Dan kan ik namelijk antwoorden dat ik ook totaal niet weet hoe het moet. Samen een flink potje janken scheelt een hele hoop, fond de teint ook.

An Olaerts