Vliegtuig

Punkie heeft een vliegtuig van piepschuim. Voor de natuur is het een ramp, met al die isomobolletjes die nooit, nooit, nooit meer zullen vergaan. Maar het is zo mooi, hoe Punkie met zijn vliegtuig door het park rent. En hoe de witte isomo in de blauwe lucht glijdt. Wie kan zoiets voor 3,99 in de Fun laten hangen! Ik niet. Voor géén geld blijf ik voor altijd bestaan.

Oh, het vliegtuig vloog, hoog door de gouden confetti van zon en schaduw onder de bomen. Woeha, armen in de lucht! Vijf volle knopen voor de Cessna Skycatcher! Maar kijk nu toch, een looping! Wij waren weer een plaatje, Punkie en ik. Maar toen vloog het vliegtuig in de takken van de bomen. Het bleef steken en we konden er niet bij.

“Hef mij op, hef mij op”, zei Punkie. Maar het hielp niet. En toen besloot ik mijn schoenen uit te trekken. Eerst viel het vliegtuig naar beneden. Daarna hing mijn schoen in de boom. Het was geen gezicht, die schoen aan een veter, twee meter boven de grond “We hebben een lange stok nodig, met een haak”, zei ik kordaat.

Punkie liep voorop. Daarna kwam ik, op mijn sokken, heel voorzichtig, bang voor steentjes, bang voor hondendrollen. We vonden een stok met een interessante kronkel op het eind. Daarmee hoopte ik mijn schoen los te krijgen. Hij zat vastgeknoopt in de oksel van twee takkentwijgen. Zo lelijk dat toeval kan kringelen! Godmiljaar. Heb het maar aan de hand!

“Hokus pokus pas”, toverde ik en ik prikte de stok in de buik van Punkie. Hij veranderde niet in een pilootje en hij vloog niet per isomo naar de knoop in de boom. “Houd de stok vast”, zei ik, “en strek je arm.” Zelf stond ik met dat kind in mijn armen onder mijn eigen schoen te wiebelen. “Het gaat niet. Het gaat niet. Pas toch op. Nee! Nee! Nee! De Spondeligger moet komen.”

Punkie ging hem halen. Het plaatje was zoek. Er stond een vrouw van middelbare leeftijd op haar sokken in het park. Helemaal alleen. “Wat heb je nu weer aan de hand”, zei de Spondeligger. “Ik hoor je schreeuwen tot thuis.” Ik kon niet antwoorden. Ik kon alleen maar lachen en wijzen. “Mama heeft haar schoen in de boom gegooid”, zei Punkie. De Spondeligger deed wat te verwachten viel: Hij zuchtte, hij rolde met zijn ogen en trok aan de tak. Eén blaadje scheurde af. Het kon niet onnozeler. Hij gooide het geërgerd in het gras. “Anders moet je eens springen”, hikte ik.

De Spondeligger naam een aanloop, sprong omhoog en greep de schoen. Hoog in de boom kraakte een tak. “Opzij! Opzij! Ga aan de kant. De boom is dood. Direct dondert alles naar beneden!” Punkie verloor zichzelf totaal in de opwinding. Ik plaste bijna in mijn broek. Het was alles tegelijk, grappig, spannend en gevaarlijk. De tak brak, hing op half zeven aan de stam. “Mens toch”, zei de Spondeligger, terwijl hij mijn veter losmaakte. “Wat gooi je nu ook je schoen in een boom. Jij maakt van alles een column.”

Hij had gelijk. Want al wie dit stukje in de krant heeft gelezen, heeft de pagina uitgescheurd om er een vliegtuigje van te vouwen. Echt waar.


De wereld is om zeep.
De mens is een mier.
En wie geen vliegtuig heeft
moet zich redden met papier.