Blijven

“Tot je een dikke, vieze snor hebt. En daarna ook nog. Blijf jij maar mooi hier! Ik wil jou nooit meer kwijt.” Dat zeg ik soms tegen Punkie. Daarna knoop ik mijn Poolse legerjas open en verbergt hij zich onder mijn oksel. Dan staan we daar, Punkie en ik, tesamen een soldaat met een bult, in een oorlog die we allebei niet verstaan. 

Ik weet niet wat het is, als je ouders niet voor je zorgen. Ik heb mijn hele leven thuis gewoond, maar Punkie moest weg. Hij had zijn verjaardag nog geen enkele keer gevierd en hij was alles al kwijt. Het doet iets met een mens. Als we nu eens wisten wat. Punkie krijgt het niet uitgelegd. En ik maar vragen stellen. “Maar waarom dan? Maar waarvan dan! Je hoeft niet bang te zijn. Je bent toch thuis?” 

In mijn Dierenencyclopedie Voor De Jeugd stond vroeger een prentje van een koekoek, een lelijk, kaal vogeltje in een vreemd nest. Ik was bang dat pleegzorg er zo ging uitzien: twee pimpelmezen met een veelvraat van een koekoeksjong. En maar rupsen zoeken. Terwijl het zo moeilijk helemaal niet is! Intussen heb op internet een foto gevonden van een mus die een koolmees eten geeft. 

“Als later al mijn tanden uitgevallen zijn”, vraag ik soms aan Punkie, “kom je dan op bezoek om een banaan te pletten? En mag ik dan in de Lidl op jouw rug zitten?” Dan lacht hij, want Punkie slaapt bij de hond en van de hond krijg je vlooien. Ik weet nog wat de sociaal assistenten van pleegzorg in mijn dossier hebben genoteerd. “Mevrouw heeft een speciaal gevoel voor humor.” Sommige dingen blijven. Sommige dingen veranderen.  

Punkie houdt mijn hand vast. Hij neemt me mee naar plaatsen die ik niet ken. Heel langzaam leer ik hoe je ook gewoon bang kunt zijn, zonder het te begrijpen. Angst is net zoals liefde, het heeft geen uitleg nodig om te bestaan. Het ligt allemaal mee onder de dekens. Het bed heeft bulten. Punkie slaapt niet. Zijn voetjes zijn koud. “Mag ik een liedje zingen?” Ik zing wat mijn moeder zong: “Wij blijven altijd bij elkaar, ook al worden we meer dan honderd jaar.”

Het is niet wat de mensen zeggen. Als ik over Punkie vertel, vragen ze altijd hetzelfde: “Hoe lang gaat hij blijven?” Ik word er kwaad van. Punkie is met zijn poepje in de boter gevallen. (Nee, godverdoeme) Wat jullie doen is zo mooi. (Fuck! Off!) En hoe lang mag hij dan bij jullie blijven? (Klep toe!)  Stop ermee, mensen. En hou misschien ook eens op met dat gezaag over kleuren en vellen. Zit niet zomaar aan andermans krullen. Feliciteer niemand met zijn Nederlands. En zorg dat ze blijven.

“Kom eens hier, jij. Geef al je verdriet aan mij!”, zo probeer ik Punkie te troosten. “Wil je anders de draak nog eens aaien? Je weet toch dat ik hem zelf heb geschoten?” Punkie vindt het niet grappig. Hij weet dat de pels op mijn jas niet écht is. En hij weet nog veel meer. Laatst hadden de buren een nieuw kindje gekregen. De buik van de buurvrouw was weg. We gingen op bezoek. Punkie had aan vijf piepkleine vingertjes gevoeld en mij daarbij trots aangekeken. Terug thuis zette hij de tv op, slokte alle suikerbonen naar binnen en vroeg: “Mag Felix wel blijven?”

An Olaerts