Geert

Geert Stadeus (25 augustus 1964 – 27 november 2021) (c) Nicol’ Andrea

Er zit een kraai in het park. Met zijn handen op zijn rug gevouwen. De keukentafel staat te ver om te zien hoe hij zijn darm spant. Maar toevallig schijnt de ochtendzon recht op het fleddertje. De fonkel valt op de grond. Zo zit ik alles te bekijken. Gouden bladeren onder de bomen, giftige paddestoelen, het kon Geert nooit wat schelen. Hij hield niet van de natuur, gegrild met saus en frieten, tot daar. De zogenaamde gewone gang van zaken mochten ze hem gerust besparen. Er stond een foto van zijn fiets in de krant. Alles asfalt en buiten beeld een blauwe lamp. Een reiger vliegt over. Schijtvogel.

Ik wil nooit meer naar Gent. Café De Karper, komaan, op dat afschuwelijke kruispunt, zonder eten op de kaart. Maar Geert vond de baas zo sympathiek. Mij charmeerde het niet. Het volstond dat we er samen zaten. Kortom, in De Karper zien ze mij ook nooit meer.

Ik heb het koud. Blijkbaar sneeuwt het in Gent, een beetje roos op zijn schouders, poedersuiker op de wafel van zijn moeder. ‘s Zaterdags ging hij bij haar op bezoek, met de Alfa GT door de tunnel naar de andere kant van het land. Hij stuurde een foto waarop ze lachte met een bekertje advocaat. Zie je wel dat ik goed ben thuisgekomen.

Uiteraard had hij geen helm op. Hij was veel te voorzichtig voor een helm. Nochtans had hij wel een hekel aan fietsers. Onbeleefderiken! Ze trapten maar door met hun tandwielen en hun verbeten gezichten. Ze reden hem van de baan! Het was een vreemde klacht, zo zeldzaam. Hij sprak nooit kwaad over de mensen. Hoogstens bleef hij hangen in teleurstelling. Ik vond dat hij overdreef. Misschien omdat ik zelf soms fiets voor kapot. Anders kom ik zeker overal te laat. Geert was altijd te vroeg. Nu ook weer. Zie je wel dat je die lui niet kunt vertrouwen.

Rap, rap bestel ik zijn boek tweedehands. ‘Een hond genaamd Sibelius’, 4,95 euro met een koffievlek. Want straks is het misschien weg. Twintig jaar geleden gaf ik het hem achteloos terug. Ik ging mij niet verdiepen in de roman van die rare man met zijn onnozele boekentas. Wist ik veel dat hij mijn vriend ging worden. Hij had de dingen dikwijls eerder door. Zo had hij ineens ook een donorcodicil. Zijn nieren en zijn longen werken nog! Heeft hij in de doffe ellende nog drie families opgevrolijkt. Typisch. Geert was alles tegelijk, tragikomisch, heel grappig en heel kwetsbaar. Mijn hart is nog goed, zei hij soms. Onzin. Hij deed het alleen maar om het niet te hoeven sparen.

Op de kamer van Punkie staat een pluche gorilla. Van Geert. Ik aai hem over zijn polyester haartjes. Hij moet mee aan de keukentafel zitten, terwijl ik in gedachten mijn vrienden overloop. Voor de veiligheid tel ik er te weinig. Ik heb een heel klein hartje. Ik hou mijn jas aan, met een fluorescerend harnas eroverheen en een helm. Die heb ik al meer dan zeven dagen op. Ik bekijk alles van onder een zwarte rand. Geen idee of gemeentearbeiders vaak huilen. Maar ik zie eruit als een gemeentearbeider. En ik jank mij een oog uit, Geert.

An Olaerts