Esmeralda & haar lievelingsrat

Ze is een barokke vrouw, groot, met rondingen, veel krullen en een benijdenswaardige boezem. Nooit zou zij in één lettergreepje passen zoals ik. Haar naam heeft er vier. Ze houdt van weelderige zinnen, letterlijk en figuurlijk. Het wil zeggen dat ze boeken leest die ik langdradig vind, en volop de passie preekt.

Ik ben kort van stof, heb geen geduld met tierlantijnen en verplaats mij in een legerjas uit het Oostblok. Terwijl zij kleren draagt in warme kleuren, donkerrood met omslagen en bijzondere draperieën.

Hoe ik haar heb gevonden? Ik heb haar niet gevonden. Het zou geeneens bij me opkomen. Het moet toeval zijn geweest en het moet traag zijn gegaan. Want had ik het opgemerkt, ik zou me er nooit aan hebben overgegeven. Ik ken haar niet van vroeger. Niet van op het werk. Niet van op café. Ze is niks voor mij. En dat gelamenteer over vriendschap is ook niks voor mij. Maar de gang van zaken heeft overal lak aan. Inmiddels hebben we zo vaak samen aan kleine tafeltjes gezeten dat ik er herinneringen aan heb, aan verborgen tuinen in de stad en grote stukken taart.

Of die ene keer aan dat marmeren blad, met aardbeien onder de gelatine en een gouden prikvork. Daar vertelde ze ineens over wat het leven haar heeft gelapt. Het verdriet is van een kaliber dat ik alleen ken van gore krantenkoppen. Misschien had ik toen haar hand moeten vastpakken. Ik ben zo blij dat ze is blijven leven, en hoe! Maar mijn handen zijn altijd koud, met harde kootjes, botjes, pezen en metacarpalen. Zij vindt het geen bezwaar. Scherf mag ik zijn, veilig in het velours van haar enorme letterbak.

Je moet zien hoe wij elkaar begroeten! Normaal sta ik altijd houterig bij de deur, te hopen dat er geen kus van komt. En op feestjes ben ik het afscheid te slim af door te vertrekken zonder iets te zeggen. Haar valt het niet op. Of het kan haar niks schelen. Ze slaat haar armen los om me heen en twee tellen lang ligt mijn oor op haar warme schouder, ruik ik zeep en bloemen. Het gaat vanzelf. Er klikt iets tussen ons. Het springt open als een paraplu. Daaronder zitten wij te lachen, Esmeralda en haar lievelingsrat.

Ik ga het geen liefde noemen. Voor je het weet valt het op, is het te groot om nog ergens binnen te krijgen. Ik zie het liever als een losse stoeptegel met een trap naar beneden. Daar blijkt een raakvlak te liggen, een land zonder kaart. Boven de horizon bromt een vliegtuigje met een wimpel: ‘Goed dat gij er zijt!’ Zij eet een omelet. Ik bestel een boulet. We zitten weer aan een tafeltje. Al pratend komen wij op plaatsen. Nog een latte en een Spa bruis a.u.b.

Om halfdrie is het tijd. Esmeralda moet weer aan het werk. Ze trekt haar jas aan, omhelst me zoals niemand anders durft en vertrekt. Verbaasd kijk ik haar na. Hoe kan dat nu? Wat zijn wij voor een combo? ‘Nee, laat nog even staan’, zeg ik tegen de ober. Ik bewaak het vuile bestek nog even, het papiertje van haar Chocotoff en de lege glazen. Daarna schuif ik de stoeptegel terug op zijn plaats. Niemand die er iets van merkt.

(eerder gepubliceerd in De Standaard Magazine)

An Olaerts