“Kijk, kijk, kijk, wat je doet! Hartslag 80!” Ik keek naar mijn Fitbit en ik keek naar de Spondeligger. “Ga weg en neem je commentaar mee. Je bent slecht voor mijn gezondheid.” De Spondeligger rolde met zijn ogen en verliet de badkamer. Sinds ik een Fitbit heb, zijn er nieuwe criteria. Alle gezelschap wordt voortaan afgemeten aan mijn hartslag. Ik ben een optelsom van iemand anders. En mijn hartslag al helemaal.

Laten we haar Chery noemen. Want officieel mag ze niet heten. Chery bestaat alleen in de statistieken, omdat er nog Chery’s zijn. Chery is twaalf. Soms heeft ze een vriendje. Soms niet. Soms wou ze dat ze niet bestond…

Ik had nog nooit van Buckminster Fuller gehoord, tot ik het brievenboek kocht van Eva Rovers. Zij zat in het museumdepot van Universiteit Groningen te zoeken en te denken.

Beste Bucky, schreef ze.

Xavier Taveirne is mijn vriend. Per ongeluk. Want ik ken Xavier Taveirne alleen van de tv. Het mag geen bodem heten. Of toch niet voor vriendschap. Ik was hem gewoon aan het beloeren. Lurken heet het.

Het gaat niet goed met u. Ja, met u. Nee, niet goed. Ik kom u namelijk soms tegen en dan kan ik het zien. Ellendig publiek zijt ge. Soms klinkt het zo: ‘Oh, An Olaerts, u lees ik nooit. Tom Heremans wel!